maandag 27 juni 2011

NS klantenservice - het kastje en de muur

NS stopt per 1 augustus de verkoop van de huidige voordeelurenabonnementen. In een lastig te vinden PDF van NS staat Voor bestaande houders van een Voordeelurenabonnement verandert er niets. Ik heb zo'n abonnement en daar heb ik veel profijt van en de nieuwe soorten abonnementen zijn voor mij minder aantrekkelijk. Eind december zou ik mijn bestaande voordeelurenabonnement graag weer (automatisch) verlengen. Na bestuderen van de info van NS twijfel ik of dat zal kunnen. In het geval dat niet zal kunnen is het voor mij handig om nog in juli op te zeggen en direct een nieuw voordeelurenabonnement af te sluiten. Dan profiteer ik nog tot juli 2012.

Eerste ronde

Ik stel mijn vraag via Internet op vraag stellen van NS klantenservice.

Daarbij moet je het nummer van je OV chipkaart invoeren en je naam, geslacht, adres, geboortedatum, email adres, enz. (Alleen de kleur van mijn ogen en het jaarinkomen hoeven ze niet te weten.) Na invullen en verzenden krijg je direct een emailtje ter bevestiging van ontvangst en ongeveer een werkdag later (best wel snel dus) een meer inhoudelijk antwoord. Dat inhoudelijke antwoord valt nogal tegen:
Hartelijk dank voor uw e-mail.

Helaas kan ik niet inhoudelijk op uw e-mail ingaan, omdat er
gegevens ontbreken. U kunt uw naam en adresgegevens aan ons
doorgeven via een reactie op deze mail. Uw e-mail wordt
beantwoord zodra wij uw gegevens hebben ontvangen. Ik wil u
verzoeken om bij uw reactie het volgende referentienummer te
vermelden: 25684786

Met vriendelijke groet,

NS Klantenservice
Je gelooft je ogen niet. Niet alleen hebben ze die gegevens helemaal niet nodig om de vraag te beantwoorden, maar ik heb ze al met de vraag verstrekt.

Maar goed; ik ben niet te beroerd om ze die gegevens nogmaals te sturen.

Tweede ronde

Nu komt er een complicatie. Ik heb mijn eigen Internet domein (buttonius.com) en daarop kan ik eindeloos email adressen aanmaken. Zodoende kan ik elk bedrijf dat mij wil emailen die email naar een specifiek adres laten sturen. Zo'n email adres vul ik dus ook in als ik bij NS informatie vraag. Als ik met mijn email programma op ontvangen email reageer komt in het uitgaande bericht als afzender mijn email adres bij de TU Delft. Om dat te veranderen moet ik de email configuratie gaan verbouwen en daar heb ik niet zo'n trek in. Als NS vervolgens weer reageert mag dat wat mij betreft ook wel naar dat TU email adres...

Bij NS werkt dat anders. Ik krijg maar liefst twee automatische reacties. De eerste was
De incidentwijziging die u onlangs aangaf, was afkomstig van een
e-mailadres dat niet bij het incident hoort. Ter beveiliging van
de gegevens kunnen wij het incident niet bijwerken met dit
e-mailadres. Als u de eigenaar van het incident bent en uw
e-mailadres is gewijzigd of als u het incident wilt kunnen
bewerken via deze e-mailaccount, wijzigt u de contactgegevens
via de volgende koppeling en dient u uw verzoek opnieuw in.
http://ns.custhelp.com/app/account/profile
Als ik naar de genoemde site ga krijg ik een web pagina met
Fatale fout

Toegang geweigerd

Reden: Adres van client is niet geautoriseerd.
Daar kom ik dus niet verder.

De tweede automatische reactie (die 1 seconde na de eerste binnenkwam) is een bericht dat het email adres waar mijn reply naar toe ging fout is.
This is an automatically generated Delivery Status Notification.

Delivery to the following recipients failed.

       vraagantwoord@ns.nl
Eerst een email dat mijn reactie niet verwerkt kon worden, dan eentje waarin staat dat ie niet bezorgd kon worden. Hier klopt iets niet. Make up your mind guys!

Derde ronde

Ik maak gewoon een nieuw verzoek en deze keer zet ik mijn naam en adres onder de vraag. Enkele minuten later is de gebruikelijke bevestiging van ontvangst binnen en de eerstvolgende werkdag ook het inhoudelijke antwoord:
Wanneer uw contractjaar afloopt, op 30-12-2011, zal deze automatisch 
verlengd worden. Mocht u geen verlenging willen, kunt u het contract
1 maand van te voren opzeggen. Zonder opzegging blijft het contract
doorlopen onder de bestaande Voorwaarden.
Prima! Exact wat ik wilde weten. Jammer dat 't zo moelijk ging.

donderdag 23 juni 2011

OV chipkaart - wat is er nog mis?

De tweede kamer vergaderde op 22 juni 2011 voor de zoveelste keer over de OV chipkaart. Nu ging het over afschaffing van de strippenkaart. Sommige kamerleden zijn kennelijk bang dat het met de OV chipkaart nooit meer goed komt als ze de OV bedrijven de kans geven de strippenkaart af te schaffen voordat de OV chipkaart helemaal naar wens werkt.

Wat zijn nu de problemen met de OV chipkaart?

  • Vergeten uit te checken is duur; het is lastig je geld terug te krijgen.
  • Extra kosten bij overgang van de ene trein- of busvervoerder naar de andere.
  • Geen anonimiteit.
  • Slechte beveiliging.

Vergeten uit te checken

Dagelijks vergeten veel reizigers uit te checken. In dat geval brengt het systeem het borgbedrag in rekening. Voor bus, tram en metro is dat € 4, bij de trein is dat € 20 of € 10 (bij reductieabonnement). De meeste reizen kosten minder dan het borgbedrag. Om het verschil terug te krijgen moet de reiziger bij het betrokken vervoerbedrijf aan de bel trekken. Een probleem met die teruggave is dat het lastig is te bewijzen waar de reiziger is uitgestapt. Dit is een intrinsiek probleem van de werking van de OV chipkaart. De OV bedrijven moeten nu vertrouwen op de verklaring van de reiziger. Het probleem zou een stuk minder worden door het borgbedrag te verlagen tot de maximale prijs van (de rest van) de rit.

Natuurlijk kan die teruggave procedure een stuk simpeler. Er moet een redelijker balans gevonden worden tussen het gemak waarmee een reiziger zijn vergissing goed kan maken en het gemak waarmee een fraudeur een veel kortere reis kan claimen dan hij in werkelijkheid heeft gemaakt.

Het is mogelijk het aantal claims per chipkaart per jaar te beperken (tot 3 of zo) en zo het mogelijke profijt door valse claims te begrenzen. Ook zouden, bij meerdere claims in een jaar, administratiekosten gerekend kunnen worden. Het terugclaimen moet verregaand geautomatiseerd worden door de claim via Internet te laten verlopen. Het terugstorten op de kaart kan vervolgens bij een oplaadpunt van de kaart. Voor wie geen Internet heeft (en ook geen kennis die even wil helpen) moet de claim telefonisch kunnen. Het is onzinnig dat het nu persé bij het betrokken OV-bedrijf moet; daar moet één nationaal telefoonnummer voor komen.

Extra kosten bij overstappen

Het is te gek voor woorden dat de OV bedrijven dit probleem nog steeds niet hebben opgelost. De minister zou kunnen ingrijpen door te regelen dat bedrijven die dit niet gefixt hebben geen kosten voor het instappen mogen rekenen (dus ook niet voor de eerste instap van een reis); alleen nog voor de afgelegde afstand. Dan is de zaak in no time opgelost!

Geen anonimiteit

Dit blijft een heikel punt. Sommige reizigers reizen tegen een lager tarief (of een nul-tarief) omdat ze een abonnement hebben gekocht. Voor de invoering van de OV chipkaart was het onpractisch van deze reizigers de reisgegevens te verzamelen. Dat is nu akelig eenvoudig geworden. Wie nu gebruik wil maken van een abonnement of een bijzonder tarief moet zijn anonimiteit prijsgeven.

Voor leeftijdgebonden kortingen is dat helemaal niet nodig. Er geldt in Nederland een legitimatieplicht; we moeten ons kunnen legitimeren. Wie 65 jaar of ouder is hoort dat met een legitimatiebewijs te kunnen bewijzen. Als de in-check-apparatuur (door een geluidsignaal) signaleert dat de incheckende reizigers zo'n korting claimt/krijgt kan personeel van het OV bedrijf bij twijfel aan de leeftijd om legitimatie vragen. Om deze reizigers anoniem te laten reizen moet een anonieme chipkaart met leeftijdskorting gekocht kunnen worden.

Studenten en andere abonnementhouders zijn helaas niet eenvoudig te herkennen. Ik zie hier geen handige oplossingen die de anonimiteit waarborgen zonder grootschalige fraude mogelijk te maken.

Slechte beveiliging

Het OV chipkaart systeem is kwetsbaar door klunzige, amateuristische cryptografische beveiliging van de kaarten en door te veel vertrouwen op GPS ontvangers in bussen en trams.

Het probleem met de gekraakte cryptografie is dat de hand-held computer van een conducteur en de in- en uit-check-systemen niet kunnen bewijzen dat een kaart (en alles wat daarop staat) echt is. (Daarvoor zouden deze apparaten telkens moeten communiceren met een centrale data-base; dat is te duur en te traag.) Dit is alleen te verhelpen door een nieuwe generatie OV chipkaarten in te voeren. Hopelijk kunnen de bestaande in- en uitchecksystemen daar tezijnertijd voor worden aangepast.

Het tweede is lastiger. De systemen in de bussen en de trams zijn volledig afhankelijk van een goede plaatsbepaling door GPS. Een GPS jammer kost een paar tientjes en is kleiner dan een pakje sigaretten (maar het is uiteraard een verboden zender). De systemen voor plaatsbepaling zijn een stuk robuuster te maken door gebruik te maken van een systeem dat de afgelegde afstand meet (door wielomwentelingen te tellen). Dat combineren met GPS is wel een stuk ingewikkelder dan alleen GPS gebruiken...

donderdag 19 mei 2011

Redelijke tarieven voor mobiel bellen, mobiel Internetten en SMS

Met de invoering van betaalbaar Internet via hun mobiele netwerken hebben de providers van mobiele telefonie zich aardig in de vingers gesneden. De gebruikers beginnen te ontdekken dat SMS met een app op de smartphone nagenoeg niets kost en telefoneren via VOIP (zoals Skype) is ook stukken goedkoper.

De providers (zoals KPN) proberen nu aparte tarieven in te voeren voor dat Internet gebruik dat ten koste gaat van het normale telefonie en SMS verkeer. Bij de voorbereidingen heeft KPN een public relations ramp over zich afgeroepen door publiek te maken dat ze het Internet verkeer in detail analyseren.

Wat is er mis met het huidige verdienmodel

In de (door de providers zo gekoesterde) oude situatie betalen de gebruikers voor een SMS-bericht ongeveer evenveel als voor een minuut binnenlands bellen of een MByte aan data. Sommige providers hebben abonnementen waarbij data-verkeer semi-ongelimiteerd is; dat is vragen om problemen. De prijzen voor data-verkeer zijn dan per maand in plaats van per MByte.

Vaak staan de prijzen in geen verhouding met wat de provider voor die verschillende soorten verkeer moet doen. Het is lastig die tarieven te vergelijken en ze zijn elke maand weer anders... Het volgende is gebaseerd op een tarief van Hollands Nieuwe op 19 mei 2011:
  • Om een SMS-bericht af te leveren moet zo'n 0,25 kByte aan data in één richting worden getransporteerd (en die data heeft bovendien geen haast; het mag best een paar seconden duren).
  • Voor een spraakverbinding moet, na datacompressie (die al in het GSM toestel gebeurt) ongeveer 1 kByte per seconde in twee richtingen worden doorgegeven; in totaal dus zo'n 120 kByte per minuut. De maximale toegestane vertraging daarbij is iets van 0,1 s.
  • Voor een dataverbinding moet data naar het door de afzender gespecificeerde Internet adres worden doorgestuurd, of van een Internet adres opgehaald worden. De benodigde capaciteit en de maximaal acceptabele vertraging zijn sterk afhankelijk van de toepassing. De prijs is 4,2 cent voor 1 MByte.
De prijs voor deze drie zeer verschillende verrichtingen is steeds gelijk: € 0,042 (4,2 cent). In het huidige verdienmodel wordt voor SMS-verkeer dus 4000 keer zoveel in rekening gebracht als voor data-verkeer, of 480 keer zoveel als voor spraak.

Dat kan natuurlijk niet goed gaan. De gebruikers zijn wel goed, maar niet gek.

Wat zou een redelijk verdienmodel zijn?

Zoals ik al eens eerder schreef moet een tarief redelijk en begrijpelijk zijn, kostendekkend zijn, een gezonde vraag niet afremmen en een ongezonde vraag niet aanmoedigen.

Alle verkeer naar en van GSM telefoons is uiteindelijk data. Wie beweert dat alle data gelijk is en dus gelijk behandeld moet worden weet niet waar ie 't over heeft. Er is namelijk een belangrijk verschil tussen data die haast heeft en data die wel een seconde kan wachten. In een spraakverbinding zijn vertragingen erg hinderlijk.

Ik stel voor dat de providers in hun tarieven onderscheid gaan maken tussen data die haast heeft en de rest. Voor data die haast heeft geldt een hoger tarief. Het Internet protocol heeft een voorziening om in een data pakketje aan te geven dat de data haast heeft; de URG(ent) vlag. Helaas wordt deze indicatie nog wel eens ten onrechte gebruikt. Maar als de providers voor verkeer dat haast heeft een hoger tarief gaan rekenen dan zullen gebruikers(-applicaties) dat alleen nog gebruiken waar het echt nodig is.

Mijn voorstel is dus:
  • Dataverkeer krijgt twee tarieven; een laag tarief voor data die geen haast heeft en een hoog tarief voor data met haast.
  • Voor spraak geldt het tarief voor dataverkeer met haast, vermeerderd met de kosten die de provider maakt om het gesprek op de bestemming af te leveren.
  • SMS berichten worden zo goed als gratis afgeleverd.
  • De provider gaat verkeer met haast ook echt prioriteit geven en garandeert dat de maximale vertraging zeer klein zal zijn. Voor verkeer dat geen prioriteit heeft moet de klant vertragingen van 1 seconde accepteren.
Met dit tarief hoeven de providers zich geen grote zorgen meer te maken over verminderende inkomsten uit de telefoongesprekken. Als een VOIP dienst (zoals Skype) een gesprek tegen lagere kosten kan routeren dan kan de GSM provider toch kostendekkend blijven werken omdat het VOIP verkeer prioriteit nodig heeft.

De inkomsten uit SMS-verkeer zullen verdampen. Daar kunnen de providers weinig tegen doen. Op dit moment kunnen ze nog zien dat een gebruiker verbinding maakt met een SMS-vervangende server, maar dat is met SSH protocol en TOR (The Onion Router) onmogelijk te maken. Ik denk dat de schrijvers van de nu populaire SMS-vervangende apps hier al mee bezig zijn.

woensdag 18 mei 2011

Studieduur en maatschappelijke kosten

Nederlandse universiteiten hebben sinds jaar en dag studenten die enkele jaren langer over hun studie doen dan de nominale studieduur. Hoewel er de afgelopen 30 jaar wel enige reductie is bereikt zijn de resultaten niet indrukwekkend.

Wat is het probleem

Men zegt dat studenten die langer over hun studie doen veel kostbaarder zijn voor de universiteit en/of voor de maatschappij. Eerlijk gezegd geloof ik dat niet.

Zo'n 30 jaar geleden heb ik zelf bijna 8 jaar gedaan over een studie die nominaal 5 jaar duurde. De laatste paar maanden waren uitstel van het examen zodat het gat tussen mijn studie en mijn vervangende militaire dienst niet te lang zou zijn. Ik had die studie ook best na 7.5 jaar kunnen afronden. In die tijd was 7.5 haar ongeveer het gemiddelde.

Ik heb nooit gemerkt dat afgestudeerden die er wat langer over deden het in de maatschappij minder goed doen dan zij die het in de nominale tijd deden. Sommige studenten hebben wat meer tijd nodig om te leren studeren, maar als ze dat eenmaal in de vingers hebben komt het wel goed.

Wat kost zo'n langstudeerder voor elk extra jaar?

Uit eigen ervaring kan ik getuigen dat studenten die langer over de studie doen aanmerkelijk vaker tentamen doen, ietsje meer colleges lopen en nagenoeg precies evenveel practica doen als studenten die na de nominale tijd afstuderen. De kosten voor die langere studie bestaan dus vooral uit het nakijken van meer tentamens, iets massalere tentamenzittingen en iets massalere colleges. Voor het eerste is enige mankracht nodig, voor het tweede en derde zijn iets grotere tentamen- en collegezalen nodig.
Omdat ik bij een universiteit werkt kan ik ook wel iets zeggen over de mankracht die nodig is om een tentamen na te kijken. Het handmatig nakijken van een extra tentamen kost minder dan een manuur. Tegenwoordig worden veel tentamens met de computer afgenomen of nagekeken en dan kost het beoordelen van een extra tentamen al helemaal geen mankracht meer. Een mondeling tentamen kost ongeveer een manuur (het duurt een half uur, maar er is meestal een getuige aanwezig). Mondelinge tentamens zijn zeldzaam (omdat ze zo arbeidsintensief zijn).

Wat betaalt zo'n langstudeerder zelf?

Studenten betalen voor de TU Delft tegenwoordig (2011-2012) € 1713 aan collegegeld per jaar. Als ze in een extra jaar alleen 30 extra tentamens doen betalen ze ruim € 57 per tentamen. Dat lijkt mij geen onredelijk tarief. Van dat geld moeten die tentamenzalen wel één stoel en één tafeltje meer kunnen bevatten. (Het een jaar langer "in de administratie" houden van een student kost ook geld, maar dat kan niet veel zijn.) Ook zal een langstudeerder gedurende zo'n extra jaar gebruik maken van computerfaciliteiten van de universiteit. Maar, omdat die student niet in het schema zit hoeft dat niet gedurende de piekuren te zijn.

Waarom wordt er dan zo moeilijk gedaan over langstudeerders?

Dat heeft meer te maken met de manier en het moment waarop de universiteiten betaald krijgen voor de studenten die ze opleiden. Het meeste geld krijgen ze pas als een student afstudeert. Een student die wel de hele opleiding doet (inclusief de, soms vreselijke dure, practica) en vervolgens de studie staakt is een flinke strop voor de universiteit. En voor de student die er een paar jaar langer overdoet komt dat geld een paar jaar later binnen. Het lijkt mij dat het probleem vooral het gevolg is van de wijze van financiering.

Waarom is die financiering dan zo?

Het ministerie van Onderwijs e.d. wil zich niet teveel met de details van de opleidingen bemoeien. Dat lijkt verstandig. Maar door de financiering vooral afhankelijk te maken van het aantal afstudeerders krijgen de universiteiten hun geld jaren later en lopen die universiteiten grote risico's. Ellende zoals bij de hogeschool InHolland kan ook bij universiteiten ontstaan. Denk maar niet dat universiteiten hun normen niet zullen aanpassen als dat geld oplevert. Om dat tegen te gaan is effectieve kwaliteitsbewaking noodzakelijk.

Kan die financiering niet anders?

Natuurlijk kan dat. Dan zou je universiteiten moeten gaan betalen voor hun inspanningen (gegeven colleges, practica, tentamens) en niet voor de resultaten (afgestudeerden).

Dat zou wel een flinke verandering zijn.

maandag 9 mei 2011

Financiering van wetenschappelijk onderzoek

De meeste onderzoekers aan universiteiten kloppen voor de financiering van hun werk aan bij NWO of bij een soortgelijke instelling. Onderzoekers moeten hiervoor een onderzoeksvoorstel schrijven dat beoordeeld wordt door de subsidiegever. Een probleem met dit systeem is dat de fondsen die NWO (en soortgelijke instanties) te vergeven hebben lang niet zo snel groeien als het aantal onderzoekers. Daardoor zijn onderzoekers voor het financieren van hun projecten relatief steeds meer tijd kwijt. Dat is jammer, want het is natuurlijk wenselijk dat onderzoekers zich hoofdzakelijk met hun feitelijke onderzoekswerk bezighouden.

Ook bij de geldgevers nemen de inspanningen die nodig zijn om het geld bij goed-gekwalificeerde onderzoekers terecht te laten komen almaar toe.

Het is dus in het belang van alle betrokkenen het aantal onderzoeksvoorstellen dat geschreven wordt te beperken.

Wat is hieraan te doen?

  1. Beperk het aantal onderzoekers dat voor een bepaalde subsidie in aanmerking komt.
  2. Beperk het aantal onderzoekers dat voor een bepaalde subsidie een uitgebreid onderzoeksvoorstel schrijft

Mogelijkheid 1 wordt al gebruikt. Sommige subsidies zijn uitsluitend beschikbaar voor beginnende onderzoekers, andere juist uitsluitend voor meer gevorderden, sommige subsidies zijn voor medisch onderzoek, enz.

Bij mogelijkheid 2 denk ik aan een snelle screening plus een loting die voorafgaat aan het schrijven van een volwaardig onderzoeksvoorstel. In de screening wordt alleen gekeken of de onderzoeker voldoet aan de kriteria volgens mogelijkheid 1 en of die onderzoeker niet stiekem meer dan een keer meedoet. Vervolgens wordt geloot welke van de geïnteresseerde en gekwalificeerde onderzoekers een volwaardig voorstel mogen indienen.

Deze aanpak beperkt het aantal onderzoeksvoorstellen dat geschreven en beoordeeld moet worden. Mocht de kwaliteit van de ingediende voorstellen tegenvallen, dan kunnen er altijd nog wat extra onderzoekers bijgeloot worden zodat de subsidiegever niet gedwongen is voorstellen die niet zo goed zijn toch te belonen (of de subsidiepot niet op te maken).

woensdag 20 april 2011

Publieke en commerciële omroepen

Ons omroepbestel is ontstaan in een tijd dat het erg kostbaar was een TV zender op te zetten. Daarom heeft de staat de drie nationale TV zendernetten gebouwd. De programma's worden verzorgd door de publieke omroepen (de oudere omroeporganisaties zijn als radio-omroep begonnen).
Tegenwoordig is het opzetten van een landelijke commercële TV zender betrekkelijk eenvoudig. Je huurt capaciteit op een TV-satelliet, regelt een link van je studio naar het opstraalpunt van die satelliet en je onderhandelt met de kabelmaatschappijen over doorgifte. Voor een regionale zender moet je met de plaatselijke kabelmaatschappij onderhandelen. In de (niet zo verre) toekomst verwacht ik dat TV vooral via Internet zal lopen en dan hoef je alleen capaciteit in te kopen bij een Internet provider (en met nieuwe protocollen als BitTorrent Delivery Network Accelerator valt de benodigde capaciteit best mee). In alle gevallen moet je natuurlijk wel iets hebben om uit te zenden.

Sinds de komst van de commerciële TV-zenders mag de taak van de publieke omroepen wat mij betreft beperkt worden tot een publieke taak. De publieke omroepen zouden zich moeten beperken tot het uitzenden van programma's die
  1. Een maatschappelijk nut hebben maar waar de commerciële omroepen geen brood in zien.
  2. Zo belangrijk worden geacht dat we ze niet aan de markt willen overlaten of waarvan we een minimum kwaliteitsnivo willen garanderen.
De rest kunnen we prima overlaten aan commerciële partijen.

Welke programma's horen bij de publieke omroepen?

Onder het eerste kriterium vallen een aantal programma's met een cultureel of educatief karakter die een zodanig kleine doelgroep hebben dat de commerciële omroepen ze niet willen uitzenden.
Onder het tweede kriterium vallen nieuwsuitzendingen met een maatschappelijk noodzakelijk geachte kwaliteit (en eventueel aangepast voor bepaalde doelgroepen), de uitzendingen van de politieke partijen, enz.

Het zal duidelijk zijn dat ik niet geloof dat je binnen deze beperkingen drie zenders kunt vullen. Ik geloof dan ook dat één zender voor de publieke omroepen volstaat. Voor de programma's met een erg kleine doelgroep is uitzenden via Internet te overwegen.
Programma's als Boer zoekt vrouw, quizzen, detectiveseries, sportprogramma's,
enz. kunnen uitstekend door de commerciële zenders verzorgd worden.

Programmabladen

Programmabladen kunnen prima bestaan onafhankelijk van publieke omroepen. Kijk maar naar het programmablad van Veronica. Natuurlijk kan deze informatie ook via kranten, Internet, teletext en andere weekbladen verspreid worden. Op dit moment mogen andere weekbladen geen programma-overzicht afdrukken vanwege een (zeer merkwaardig en onfatsoenlijk) misbruik van de auteurswet. De populariteit van een omroep moet je ook niet verwarren met de populariteit van een programmablad. Bovendien is populariteit onbelangrijk als alleen nog het maatschappelijk nut telt.

Reclame

Als de publieke omroepen zich vooral nog bezig houden met programma's waar de commerciële omroepen geen brood in zien, dan zal het niet mogelijke zijn de advertentietijd rond die programma's tegen een goede prijs te verkopen. De reclame op de (enige overblijvende) publieke TV zender kan dus beter vervallen. Het publieke omroepgebeuren moet dan geheel uit de staatskas betaald worden. Omdat de omvang zoveel kleiner wordt, verwacht ik dat de kosten ook minder zullen zijn.

Geen commerciële nevenactiviteiten voor publieke omroepen

De publieke omroepen worden uit de staatskas gefinancierd. Dat kan alleen op een nette manier als ze naast hun publieke taak geen commerciële nevenactiviteiten mogen ontplooien. Natuurlijk mogen ze een web site hebben, maar die mag geen winstoogmerk hebben.

Suksesvolle programma's van de publieke omroep

Als een publieke omroep een programma ontwikkelt dat bovenverwachting populair wordt, dan moet het mogelijk zijn dat dit programma (met de programmamakers) naar een commerciële omroep overstapt. Natuurlijk zullen er altijd grensgevallen zijn, maar een publieke omroep die weigert een programmaformule te verkopen aan een serieus geïnteresseerde commerciële partij moet daar een heel goed verhaal bij hebben...

zondag 3 april 2011

Verkeersonveiligheid versus medische onveiligheid

Onveiligheid in het verkeer is te meten door jaarlijks het aantal doden, gewonden, blijvend gehandicapten o.i.d. te tellen. Hetzelfde is mogelijk met onveiligheid door medische fouten. Ook medische fouten leiden tot doden, gewonden (die volledig zullen herstellen) en blijvend gehandicapten.

Hoe slecht staan we er voor?

In het verkeer neemt het aantal slachtoffers sinds jaar en dag af. Het aantal doden op de Nederlandse wegen ligt onder de 800 per jaar. Dat is een opmerkelijke prestatie gezien het feit dat we elk jaar meer kilometers afleggen. Dit is mede te danken aan organisaties zoals CROW. CROW schrijft de normen volgens welke in Nederland de wegen, kruisingen, enz. gebouwd worden. Onze verkeersdrempels, mini-rotondes, rotondes met scheidingen tussen de naar buiten spiraliserende rijstroken, vrijliggende fietspaden, enz. zijn meestal volgens die normen aangelegd. De meeste van deze ontwerpen verhogen de verkeersveiligheid door de snelheden laag te houden.

Door medische fouten in ziekenhuizen vallen er in Nederland zo'n 1700 doden per jaar. (Dit zijn dus doden tengevolgen van vermijdbare medische fouten; niet tengevolge van experimentele behandelingen.) Deze 1700 is ruwe schatting. Bovendien vallen ook buiten de ziekenhuizen veel slachtoffers door medische fouten.
Medische fouten betreffen meestal verkeerd gebruik van (kombinaties) van medicijnen. Maar ook onjuiste adviezen over al of niet rust houden kunnen ongezond zijn. Minder gebruikelijk (maar des te spectaculairder) zijn fouten in de operatiekamer zoals het in het lichaam van een patient achterlaten van scharen, tangen, verbandmiddelen, afzetten van het verkeerde been, enz.

Rapportage is de eerste stap

In tegenstelling tot de avionica (vliegenierswereld), is het in de medische wereld erg ongebruikelijk open te zijn over fouten en gevaarlijke situaties. In de avionica is het welhaast verplicht elke situatie die gevaarlijk lijkt te rapporteren. De rapporteur wordt niet vervolgd naar aanleiding van zijn rapportage; ook niet als hij, of zij, zelf (mede) schuldig is aan het ontstaan van die gevaarlijke situatie. Deze cultuur is een belangrijke oorzaak van de steeds hogere veiligheid van het vliegverkeer.
In de medische wereld speelt de angst voor juridische vervolging een grote rol. In Nederland is dat gevaar weliswaar kleiner dan in de Verenigde Staten, maar zeker niet verwaarloosbaar.
Mede doordat de medische wereld problemen niet graag openbaar maakt worden gevaarlijke procedures niet verbeterd en leert men in het ene ziekenhuis niet van de fouten van het andere.

Wat te doen?

De overheid moet de juridische voorwaarden scheppen waardoor de rapportage van medische fouten (en fouten die ternauwernood voorkomen werden) kan verbeteren. Dat betekent dat medici niet vervolgd mogen kunnen worden voor de fouten die ze zelf rapporteren (maar de mogelijkheid van vervolging voor fouten die ze verzwijgen blijft). De benadeelde patiënten moeten op een andere manier schadeloos gesteld worden (omdat de betrokken medici juridisch onkwetsbaar zijn). Deze patiënten moeten een beroep kunnen doen op een fonds. Dit fonds kan (bijvoorbeeld) gevuld worden door een geringe opslag op de ziektekostenpremies, of uit de staatskas.

Op de langere termijn zouden we hier allemaal beter van moeten worden; zowel lichamelijk als financieel.